Om kwart na zes in de auto, cruise control op zeventig per uur, een gloeiend rode stralende zonsopgang voor mijn neus. De stralenkrans omringd door zware zwarte pakken natte watten, of dat leken de wolken toch te zijn. Geïmponeerd door de natuur. Een werkdag begint… Op de trein zet ik me tegenover de vriendelijk uitziende informaticus die tegenwoordig in ‘mijn’ wagon zit. Tenminste, ik denk dat hij informaticus is. Omdat hij een soort laptoptas draagt. En omdat hij een beetje bleek is, en kleine wallen onder zijn ogen heeft. Het soort informaticus dat binnen zit om te programmeren als de zon schijnt. En aan het gamen is als hij eigenlijk moet slapen. Hij ziet er niet enkel vriendelijk uit, hij knikt ook vriendelijk van goeiemorgen. Hij steekt van die door mij zo gehate oortjes in zijn oren. Ik vrees het ergste. Maar ik hoor geen kssjt kssjt kssjt. Zo hoort het. De net gekapte man in het pak met de das en de lange regenjas zit zoals gewoonlijk ook niet ver uit mijn buurt. Vreemd hoe mensen toch een vaste stek lijken hebben op treinen. Je je plaats zelf mag kiezen. Maar een echte die hard pendelaar weet natuurlijk waar ie moet zitten om in Brussel te kunnen uitstappen aan de roltrap die leidt naar de voor hem meest geschikte uitgang van het station. De net gekapte man in het pak met de das en de lange regenjas staat zoals elke morgen na vijf minuten recht, trekt zijn lange regenjas en vest uit, en begeeft zich naar het toilet. Even later komt hij terug, trekt zijn vest en jas weer aan, en doet zijn ogen dicht. Dat ritueel herhaalt zich elke ochtendrit – die een uur duurt – wel een keer of drie, vier. Vreemd. Ik sluit mijn ogen, en voor ik het weet stopt de trein in Brussel, precies aan de roltrap die naar ‘mijn’ uitgang leidt. Een werkdag gaat voorbij… ’s Avonds loop ik wederom door de trein. Op zoek naar een plein. Niet naast de vriendinnen van middelbare leeftijd die een dagje shoppen achter de rug hebben. Te veel geklets over kinderen en kleinkinderen. Niet naast de twee pubermeisjes. Te veel woelige hormonen met schel gegil tot gevolgd. Mijn kieskeurigheid drijft me naar het einde van de wagon. Een keuze dringt zich op. Ik plof neer. Oh help. Ik zit niet tegenover hem. Ook niet naast hem. En toch zit zijn been geweldig in de weg. Hij weegt zo’n 150 kilo, drie grote dikke zakken vol patatten. En zo zat hij er ook bij. Met oortjes die kssjt kssjt kssjt deden. Hij snurkt een beetje en maakte allesbehalve aanstalten om zijn been uit de weg te zetten. Ik plooi mijn knieën dan maar elegant tegen mekaar schuin in de richting van de middengang. Volgende halte, Brussel Noord. Je meent het niet. Nog een exemplaar van het menselijk ras van dezelfde afmetingen als daar al schuin tegenover me zat. Ze plof zonder waarschuwing naast mijn goed in het vlees zittende medereiziger, die grommelend van verontwaardiging wakker schiet. Wie waagde het…??? Ze raakten met hun tweeën eigenlijk net niet tussen de armleuningen die aan beide kanten voorzien waren, maar moeilijk gaat ook. Liza diept een appel op en slaat haar boek open. Haar overbuurvrouw begint in de Dag Allemaal te bladeren. Liza leest bladzijde na bladzijde uit en hapt hap na hap van haar appel weg. Tot ze aan het klokhuis komt. Op. Genoeg. Gedaan. De vuilbak in ermee. Maar dan ziet ze de rij van vier benen tegen elkaar die de weg naar het vuilbakje versperren. Met geen mogelijkheid zouden ze die benen opzij kunnen doen om de weg vrij te maken. Gelukkig had Liza nog een plastieken zakske in haar overvol kabaske… De Dag Allemaal-lezeres diept een zakje van de Panos op. Een lekker vet geurig worstenbroodje. Liza bezint zich over clichés. Natuurlijk zijn die vaak waar, anders waren het geen clichés. Als we allemaal even eerlijk zijn met onszelf, verlangen we allemaal wel eens naar de pulp van een Dag Allemaal, en het zoute vet van een worstenbroodje. Maar met een beetje gezond verstand kies je dan toch negen dagen van de tien voor een appel en zo nu en dan een boek van 407 bladzijden, niet? Ook al is het dan chicklit van de zuiverste soort… :-] |